“Briljant geschreven. Verfrissend onsentimenteel. Bedrieglijk eenvoudig.” Zo omschrijft vertaler Ivo Verheyen het essayistisch werk van George Orwell, de Britse auteur die we allemaal kennen van Animal Farm (1945) en Nineteen Eighty-Four (1949). En wat blijkt: zijn essays waren niet minder profetisch. Een aantal van die essays verschenen zopas in de bundel Mijn land, rechts of links. Lees nu vier fragmenten uit het boek.

Uit de inleiding van vertaler Ivo Verheyen

George Orwell (1903-1950) heeft ons, behalve de overbekende fictieboeken als Animal Farm (1945) en Nineteen Eighty-Four (1949) en non-fictieboeken als Homage to Catalonia (1938) en The Road to Wigan Pier (1937), een indrukwekkend oeuvre aan journalistiek en essayistisch werk nagelaten. Hij behandelt daarin de meest uiteenlopende thema’s en onderwerpen: nationale en internationale politiek, literatuur, de oorlog, gezondheidszorg, onderwijs, tot en met de verschillende manieren om een deugdelijk kopje thee te zetten. Dat deel van zijn werk is tot op heden nauwelijks in het Nederlands vertaald.

Voor deze vertaling heb ik de Everyman’s Libraryeditie (2002) van Orwells essays als bron gebruikt. In zijn inleiding omschrijft John Carey de stijl van Orwell als “plain and simple” – helder en eenvoudig – “tot je zelf ook eens probeert om zo te schrijven,” voegt hij eraan toe. Die bedenking vat meteen het probleem van een Orwellvertaling goed samen: hij schrijft bedrieglijk eenvoudig. Het zijn dus niet zijn lange, soms wat complex samengestelde periodes die moeilijk te vertalen zijn, het zijn de korte, simpel ogende maar uiterst geconcentreerde zinnen.

In teksten die haast een eeuw oud zijn, beschrijft hij de problemen die we in het eerste kwart van de 21ste eeuw perfect herkennen.

Orwells ideeën zijn scherp afgelijnd en genuanceerd, en zijn taal is dat niet minder. De vertaler moet dus constant op zoek naar dezelfde scherpte en nuance. De eindindruk, na al die uren van lectuur en vertaalarbeid, is deze: briljant geschreven, in een taal die getuigt van chirurgische accuratesse, maar vooral ook: hoe profetisch vaak. In teksten die haast een eeuw oud zijn, beschrijft hij de problemen die we in het eerste kwart van de 21ste eeuw perfect herkennen. En hij heeft zich maar zelden vergist in zijn analyses. Antisemitisme, politieke verruwing en incompetentie, taalverloedering – Orwell detecteert het allemaal feilloos. Hij spijkert de schuldigen onverbiddelijk aan de schandpaal, van welke signatuur ze ook zijn. Politiek situeren we hem natuurlijk ter linkerzijde, maar als links zich schuldig maakt aan de kwalen van de tijd, veegt hij het even genadeloos de mantel uit. Verfrissend onsentimenteel.

Een keuze maken uit dit omvangrijke oeuvre was uiteraard een probleem op zich. Ik heb me daarbij laten leiden door mijn eigen voorkeuren en interesses, maar vooral toch door wat ik als relevante onderwerpen zie. Teksten die nog wel relevant zijn maar die een ruime voorkennis vereisen, werden niet opgenomen. Ik heb getracht de selectie inhoudelijk evenwichtig, maar bovendien ook ‘evenwichtig in de tijd’ te spreiden.

Uit ‘My Country Right or Left’ (Folios of New Writing, 2, herfst 1940)

In tegenstelling tot wat doorgaans wordt aangenomen, was het verleden niet spannender dan het heden. Als dat al zo lijkt, dan komt dat omdat de dingen waar we op terugkijken, en die jaren uit elkaar liggen, in ons geheugen dichter bij elkaar komen te liggen. Maar heel weinig herinneringen komen echt onvervormd tot bij ons. Het is grotendeels door de herdenkingen, de boeken en de films erover dat de oorlog van 1914-1918 nu die ongelooflijke, epische dimensie lijkt te hebben die de huidige oorlog mist.

Maar als je die vorige oorlog hebt meegemaakt, en als je je echte herinneringen ontdoet van wat er later aan is toegevoegd, dan zie je dat het meestal niet de grote gebeurtenissen waren die je destijds het meest hebben geraakt. Neem de Slag bij de Marne bijvoorbeeld. Ik geloof niet dat die toen op het grote publiek het melodramatische effect had dat er later aan gehecht is. Ik herinner me zelfs niet dat ik de ‘Slag bij de Marne’ toen ooit zo heb horen noemen; die term kwam pas jaren later. Het ging er gewoon om dat de Duitsers tot op nauwelijks 35 kilometer van Parijs waren geraakt – dat was op zich schrikwekkend genoeg, na de gruwelverhalen over België – en dat ze toen om een of andere reden rechtsomkeert hadden gemaakt.

Ik was elf jaar oud toen de oorlog begon. Als ik mijn herinneringen opschoon en vergeet wat ik er later over heb gehoord, dan moet ik toegeven dat het zinken van de Titanic een paar jaar eerder me oneindig veel meer geraakt heeft dan wat dan ook in die oorlog. Die in vergelijking ‘kleine’ ramp schokte de hele wereld, en die schok is ook vandaag nog niet helemaal weggeëbd. Ik herinner me de verschrikkelijke, gedetailleerde rapporten die werden voorgelezen aan de ontbijttafel (het was toen heel gebruikelijk om de krant hardop voor te lezen). Ik herinner me dat van de lange lijst van verschrikkingen deze de meeste indruk op me maakte: dat op het einde de Titanic plots achteraan omhoogschoot en dan met de boeg eerst de dieperik inging. De mensen die zich aan de achterplecht vasthielden, werden eerst een kleine honderd meter naar boven geslingerd voor ze in de afgrond vielen. Het weeë gevoel dat ik daar toen van in mijn maag kreeg, is zelfs nu nog niet helemaal weg. Niets in die hele oorlog heeft hetzelfde effect op mij gehad.

Uit ‘Bookshop Memories’ (Fortnightly, november 1936)

Als je zelf niet in een antiquariaat werkt, stel je je dat al te makkelijk voor als een paradijsje waar lieve oude heren eindeloos in kalfsleer gebonden folianten staan door te bladeren. Toen ik in zo’n tweedehandszaak werkte, verbaasde ik er me vooral over hoe zeldzaam echte boekenliefhebbers zijn. Onze winkel had een uitzonderlijk interessante voorraad, maar volgens mij kende geen tien procent van de klanten het verschil tussen een goed boek en een slecht. Snobs die op eerste edities jagen, zag je er veel meer dan literatuurliefhebbers. Nog vaker kreeg je Aziatische studenten over de vloer, die steevast wilden afdingen op goedkope handboeken. Maar het talrijkst waren de warhoofdige dames die een verjaardagscadeau zochten voor hun neefje.

Uit ‘Politics and the English Language’ (Payments Book, 11 december 1945; Horizon, april 1946)

De meeste mensen die zich überhaupt voor de zaak interesseren, zullen wel toegeven dat onze taal er slecht aan toe is, maar algemeen wordt aangenomen dat we daar zelf maar weinig aan kunnen doen. Onze beschaving is decadent, en de taal – zo redeneert men – deelt onvermijdelijk in de klappen. Elk verzet tegen taalmisbruik gaat dan al snel lijken op sentimenteel archaïsme, zoiets als kaarsen verkiezen boven elektrisch licht, of paardentaxi’s boven vliegtuigen. Daaronder gaat halfbewust de overtuiging schuil dat taal een natuurlijk groeiend iets is, en geen instrument dat we naar eigen behoefte kunnen modelleren. Het moge duidelijk zijn dat de neergang van een taal uiteindelijk politieke en economische oorzaken heeft: het is niet simpelweg de fout van deze of gene individuele schrijver. Maar een gevolg kan een oorzaak worden, die dan op haar beurt de eerste oorzaak gaat versterken, enzovoort enzovoort. Een mens kan beginnen te drinken omdat hij zichzelf een mislukkeling vindt, maar door de drank wordt de mislukking compleet. Dat is zo ongeveer wat er aan de hand is met de taal. Ze wordt lelijk en slordig omdat onze ideeën onnozel zijn, maar de slordigheid van de taal maakt het ook weer makkelijker om onnozele ideeën te hebben. Het punt is: dit proces is omkeerbaar. De taal die we gebruiken, vooral de geschreven taal, zit vol slechte gewoonten. Die raken verspreid door imitatie, maar we kunnen ze vermijden als we er wat moeite voor doen. Als we die gewoonten laten vallen, kunnen we weer helder denken, en helder denken is een eerste noodzakelijke stap in de richting van politiek herstel. De strijd tegen slecht taalgebruik heeft dus niets frivools, en is niet de exclusieve zorg van beroepsschrijvers.

Op zaterdag 23 januari was vertaler Ivo Verheyen te gast bij Interne keuken op Radio 1. Herbeluister het interview.

Koop nu het boek.

Mijn land, rechts of links maakt deel uit van de reeks Davidsfonds Essays. Daarin verschenen ook:

In februari verschijnen ook deze boeken:

  • Autonomie van Harold Polis: De coronacrisis legt een vergrootglas op de kansen en bedreigingen waarmee we de afgelopen jaren hebben geworsteld. In Autonomie probeert Harold Polis te weten te komen hoe het komt dat het niet geworden is wat we hadden verwacht. Voor zijn diagnose put hij rijkelijk uit geschiedenis, economie, politiek, pop, filosofie en literatuur.
  • Oud papier van Leen Huet: een heruitgave van de klassiek geworden essaybundel uit 1998 waarin de schrijfster, kunsthistorica en filosofe op een begeesterende manier schrijft over de liefde voor het ondergesneeuwde of vergeten boek. Een aanstekelijke lofzang op de literatuur in al haar facetten, die ook bij de lezer tot een onstuitbare leeshonger kan leiden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s